Etymology Explorer › Dutch

Where does “on-” come from?

on- (Dutch) comes from Middle Dutch on-, from Old Dutch un-, from Proto-West Germanic un-, from Proto-Germanic un-, from Proto-Indo-European n̥-, from Proto-Indo-European ne — not.

on- (Dutch): un-, in-; on, without

Definitions

  1. un-, in-; on, without

Ancestry of “on-”, step by step

StepLanguageWordMeaning
1Middle Dutchon-un-, in-
2Old Dutchun-—
3Proto-West Germanicun-not, un-
4Proto-Germanicun-not, un-
5Proto-Indo-Europeann̥-not, un-
6Proto-Indo-Europeannenot

Words derived from “on-”

  • onfatsoenlijk
  • onvoltooibaar
  • ondank
  • onbenul
  • ondankbaar
  • ongevaarlijk
  • onvoltooid
  • onbenullig
  • onjuist
  • ongefundeerd
  • onbetaalbaar
  • onbelangrijk
  • onomwonden
  • onverhuld
  • onmisbaar
  • onverbloemd
  • ongezien
  • ongekoperd
  • onheimelijk
  • ongedeerd
  • onberispelijk
  • ongestoord
  • ongedaan
  • onaantrekkelijk
Every word from Proto-Indo-European ne →